Lentelied

Alsof de ark van Noach net gestrand is,
alle vogels opgelaten, twee aan twee,
tortelduifjes, kauwtjes, een stel eksters,
gaaien ook en zelfs een roodborstpaar.

Opgetogen vliegen ze in ’t hemels ruim,
de pennen uitgewaaierd, wuivend in het blauw,
als jonge wilde golven kopje buitelend alom,
onstuimig wiekend boven vruchtbaar land.

Later, in de kruinen, fluiten zij verrukt hun liefdeslied,
jubelend en juichend, dronken van de lentelucht,
baltsen driftig in het gras, dansend, springend,
de wulpse snavels trillend van het zinderend genot.

Plots verzadigd wijken zij naar ’t zweem van groen
– ontluikend blad van berk en meidoornstruik –
zich verschuilend achter sluiers rosse kerspruimbloesem,
gedreven wiegjes wevend voor hun kroost.

(En die monnik maar zuchten,
eeuwenlang, en hij niet alleen.)

Copyright Degenaar, M. (2015, juni)