Fenicische gezichtskraal

Alleen je gezicht ken ik
– tinwit glansglazuur –
je nachtelijk grote pupillen,
dieppurperomrande ogen,
je weelderige haarlokken,
kleine lipjes, geel, licht getuit,
met daarboven je ranke neus,
kobaltblauwe wenkbrauwbogen,
je kunstig gedraaide baardkrullen,
ovalen oortjes.

Wie ben je,
jonge god,
handelsreiziger
rover misschien
een moederskind nog
of minnaar reeds,
liefje van een schone?
O, wondermooi kopje,
– om de hals gedragen
als een amulet?

Copyright Degenaar, M. (2016, september)